(Deel 51) Helse pijn.

In een serie blogs vertelt Johan Massier over de strijd van zijn zoon tegen leukemie. In het dagelijks leven is Johan coach (www.massiercoaching.nl). Hij richt zich hierbij op drie hoofdthema's: leven, loopbaan en leiderschap.


In de afgelopen weken is het snel gegaan. Nieuwe uitvalverschijnselen zijn Peter gelukkig bespaard gebleven, maar zijn algehele conditie is achteruit gevlogen. We merken het met name aan zijn afnemende energieniveau. Binnen de kortste keren is hij doodop. Steeds vaker verkiest hij daarom het bed boven de bank. Wanneer hij geplaagd wordt door een stekende pijn in zijn bovenarm en zijn hoofd steeds meer onder een continu spanning komt te staan, zakt ons de moed in de schoenen. Het stemt ons ook intens verdrietig om onze zoon zo te zien lijden en langzaam maar zeker realiseren we ons dat Peter nu niet meer zal ontsnappen aan de wurgende greep van zijn ziekte. Zelfs een hoge dosis ibuprofen helpt niet meer tegen de pijn. Het VUmc schrijft daarom morfinepleisters voor in de hoop dat die de pijn nog enigszins kunnen verlichten.

Waar Peter tot nu toe steeds weer kans zag ergens moed vandaan te halen om het gevecht aan te gaan, lijkt hij de strijd nu op te moeten geven. Wanneer we het er over hebben, zegt hij het zelf met zoveel woorden: “Het is op. Ik ben op. Ik kan niet meer.” We huilen samen, terwijl hij in mijn armen ligt. Ik voel me machteloos omdat ik niet meer voor hem kan doen dan 's nachts mijn plek in het grote bed afstaan, zodat hij zijn moeder binnen handbereik heeft. Meer wakend dan slapend brengt zij de nachten met hem door.

Gelukkig doet de morfine uiteindelijk z'n werk, zodat de pijn in ieder geval dragelijk wordt. Dat dit niet betekent dat het beter met Peter gaat, realiseren wij ons maar al te goed. Maar nu de pijn in ieder geval te harden is, kan hij het weer opbrengen zijn energie te sparen voor de bezoekjes van zijn beste vrienden. Zo vaak zij kunnen, komen zij even langs. Zij gaan dan naast Peter op ons grote bed liggen om met hem een videootje te kijken of herinneringen op te halen. Regelmatig horen wij dat er weer gelachen wordt in onze slaapkamer. Het lijkt erop dat Peter en zijn vrienden nog even flink bouwen aan het ankeren van gezamenlijke herinneringen.

Dat doen wij trouwens samen ook. Peter laat mij tal van verhalen uit zijn jeugd opdiepen. Over hoe hij als driejarige zijn vriendinnetje uit de peuterspeelzaal wilde halen, terwijl deze toch echt een paar kilometer en een aantal drukke verkeerswegen verwijderd was van ons toenmalige huis. Over hoe ik hem een paar keer kopje onder had laten gaan toen hij mijn waarschuwingen in wind sloeg en toch 'met zonder handen' een riviertje over dacht te kunnen steken. Over hoe hij het Feyenoord petje dat ik op zijn kussen had gelegd 's nachts bij zijn moeder bracht met de mededeling dat hij het wel lief van mij vond, maar dat hij voor Ajax was en het petje daarom niet hoefde. Over hoe zijn moeder keek, toen hij zijn haar kanariegeel had laten verven. Over hoe ik hem er als vijftienjarige op betrapte dat hij zich bezondigd had aan het spuiten van graffiti. Over hoe hij daar op het politiebureau wel een verklaring over aflegde, maar pertinent weigerde zijn vrienden erbij te lappen.

Wanneer we na weer een verhaal even stil naast elkaar liggen, zegt Peter: “Pap, ik denk dat het nu niet lang meer zal duren. Wat denk jij?” Met een brok in mijn keel antwoord ik dat ik dat ook denk. “Ik wil eigenlijk ook niet meer, pap.” Zo zegt mijn zoon wat ik eigenlijk al wist…