De ex en de weduwnaar

Vanuit eigen ervaringen en deskundigheid schrijft Ton Zijderveld over de verlegenheid die we merken in de omgang met het verlies en rouw van de ander en de gevolgen daarvan. Hij geeft met zijn bedrijf www.bulla.nl workshops om die verlegenheid te overwinnen en daardoor met die ander juist een sterke band te onderhouden. 


Wat als ze me geen hand geven? Mij negeren? En wat als mijn reacties merkbaar zijn tijdens de bijeenkomst? Wie zou het snappen? De kinderen ja, die wel. Sinds ze op een leeftijd zijn dat ze zelf mogen beslissen waar ze heengaan, komen ze af en toe bij me ondanks dat Bianca het niet wilde.

Ik zie hem nog komen, onze oudste. Met een wanhopig gezicht kwam hij de keuken binnen. “Hé Joram, je ziet eruit alsof je een spook hebt gezien!” Hij plofte op een stoel en zei: “Mam heeft longkanker … met uitzaaiingen.” Ik keek hem aan en het enige wat ik kon zeggen was: “Bianca? Kanker?”

“Ja, met uitzaaiingen. Er is geen behandeling meer mogelijk. Ze geven haar nog een half jaar.”

En nu, drie maanden later, staat ik met de auto bij het uitvaartcentrum. Het is hard gegaan. Ze is rustig heengegaan begreep hij van de kinderen. “Nee pap, ze heeft het niet meer over jou gehad.” O wat deed en doet dat pijn! Tien jaar is het nu geleden dat ze bij me wegging. Haar collega was veel attenter volgens haar en “met hem kon ze tenminste praten.” Hard sla ik op het stuur van onmacht om het praten zoals zíj daar behoefte aan had. Ik heb zo mijn best gedaan om het te leren, tot aan therapie toe. Het was echter nooit genoeg.

Ik voel me zo onzeker. “Pap, je komt toch wel hè?” vroeg Cindy nog een paar dagen geleden. “Voor ons?” volgde er smekend achteraan.

“Ook voor jezelf pap” zei Joram. “Je moet afscheid nemen. Er komt niet nog een kans.”

Schoorvoetend heb ik toegezegd.

“O, mijn God!” Ik doe het portier open en stap uit. Kijk om me heen of ik bekenden zie. Een paar collega’s van Bianca bij de ingang en een tante van haar loopt langs. Ze kijkt opzij, ziet mij en staat stil. “Dag Wim,” zegt ze zacht “fijn dat je er bent.” De knoop in mijn buik wordt iets minder. “Sterkte!” zegt ze nog en loopt dan naar binnen. Ik sluit de auto af en loop langzaam naar de ingang. Haar collega’s kijken me aan terwijl ik langsloop. Geen reactie. Binnen zet ik alleen mijn naam in een  condoleanceregisters. Ik aarzel voor de zoveelste keer deze morgen. Dan ga ik toch de kamer binnen waar ze ligt. Voetje voor voetje nader ik. “Wat ben je mooi” fluister ik zacht. Nog dichterbij. Zal ik? Ja, ik steek mijn hand uit en raak even haar wang aan. “Waarom mocht ik je niet langer liefhebben?” Ik ben even stil. “Dankjewel voor alles.” Dan draai ik me abrupt om, bots tegen iemand aan, mompel een verontschuldiging en been de kamer uit. ‘Een man mag niet huilen.’ Hè, waarom komt nou dat liedje in me op? De zaal binnenlopend ga ik achteraan zitten op een hoekje.

Even later klinkt muziek en worden we verzocht om op te staan. Ik voel een tochtvlaag langs m’n nek en huiver. Dan voel ik een hand in mijn hand glijden. Ik weet dat het Cindy is en kijk toch op zij. “Kom bij ons zitten, pap. Daar hoor je.” Mijn ogen prikken hevig en ik voel een hand op mijn schouder. Het is Henk, de andere weduwnaar, en ik zie hem knikken. En terwijl ik meega denk ik: barst en laat mijn tranen lopen.