Had ik nu maar...

Vanuit eigen ervaringen en deskundigheid schrijft Ton Zijderveld over de verlegenheid die we merken in de omgang met het verlies en rouw van de ander en de gevolgen daarvan. Hij geeft met zijn bedrijf www.bulla.nl workshops om die verlegenheid te overwinnen en daardoor met die ander juist een sterke band te onderhouden.


Zondagavond voor het naar bed gaan nog even mijn mail checken. ‘Opnieuw verdrietig nieuws.’

Nee hè, wat nu weer! ‘Vanmorgen bereikte ons het droevige bericht dat Wim Kapitein onverwachts is thuisgehaald door zijn Heer.’ Hè? Oh… Nou ja! Geschokt kijk ik naar het scherm zonder een letter meer te lezen. Dus goeie ouwe Wim is niet meer. Langzaam kom ik weer bij van de schrik.

Mijn gedachten dwalen terug naar al die keren dat ik hem trof. Met zijn typische houding: rechtop, zijn hoofd een tikkeltje scheef. En altijd als hij mij zag brak zijn glimlach door. Wat is dat toch geweest? Nooit bij elkaar op visite, elkaar alleen maar ontmoetend in de kerk en toch zijn, o nee waren, we altijd blij om elkaar te zien. Nooit hebben we dat naar elkaar benoemd. Het doet me nu denken aan mijn vader. Als kind heb ik mijn vader niet het respect gegeven dat hij verdiende. Toen ik wijzer werd en door had wat ik hem daarmee had aangedaan, ben ik apart naar het westen afgereisd om hem mijn excuses aan te bieden. Hij heeft niet gezegd dat hij mijn excuses aanvaardde, nooit heeft hij gezegd dat het goed was. Het was echter in alles merkbaar in hoe we sindsdien met elkaar spraken. Soms hoef je niet te zeggen wat zo duidelijk voelbaar is in de omgang met elkaar. En toch … nu Wim zo plotseling weg is en ik terugdenk aan mijn pa, wilde ik dat ik het gezegd had wat er diep van binnen in mij leefde. ‘Ik mag je graag Wim! Jij met je bravoure buitenkant en je kwetsbare binnenkant die je afschermt. Je grote hart voor anderen, vooral die dicht bij je staan.’

Mijn gedachten dwalen verder naar die laatste keer. Ik zie hem nog zitten aan het eind van de bank naast anderen. Hij zit wat ineengezakt. Ik ga iedereen bij langs en geef een hand. Ik kom bij hem en hij kijkt op en we geven elkaar een hand. Geen lach, alleen een ‘hoi.’. Hij zakt weer in. Straks maar even bij hem gaan zitten. Na de dienst raak ik in gesprek met Fien en als we uitgepraat zijn ga ik op zoek naar hem. Wim is echter al naar huis. Jammer! Had ik nu maar …. Nou ja, dan van de week maar eens even bellen.

De week gaat snel voorbij met een volle agenda en voor je het weet is het weer zondag. O ja, ik zou nog …. En ik word een beetje boos op mezelf. ‘Hè Ton, is dat nou zo moeilijk om te onthouden en hem te bellen? Je ziet hem en weet dat dit niks voor hem is en dan vergeet je hem!’ De zondag breng ik elders door en ’s avonds lees ik die mail. Te laat, de kans gemist. Naast de schrik blijf ik zitten met een schuldgevoel en voor de tweede keer denk ik ‘Had ik nu maar ….’