(Deel 16) Foute boel

In een serie blogs vertelt Johan Massier over de strijd van zijn zoon tegen leukemie. In het dagelijks leven is Johan coach (www.massiercoaching.nl). Hij richt zich hierbij op drie hoofdthema's: leven, loopbaan en leiderschap.


Peter voelt zich al een paar weken niet goed. Vermoeid, lamlendig. Hij heeft ook koorts. Het alarm gaat echt af wanneer we de kleine rode puntbloedinkjes op zijn voeten waarnemen. Deze zagen we al eerder. Het zette de specialist in het ziekenhuis toen op het spoor van gericht bloedonderzoek dat leidde tot de voorlopige diagnose leukemie.

We weten wat ons te doen staat. Mijn vrouw gaat met Peter langs de huisarts. Zij reageert even onthutst als beslist en voedt zo ons angstige vermoeden: “Jullie moeten er rekening mee houden dat er sprake is van een recidive leukemie. Ik stel voor dat jullie zo snel mogelijk naar het VUmc gaan om uitsluitsel te krijgen.” Onderweg naar Amsterdam zeggen Peter en ik lang niet veel tegen elkaar. Het is wat je noemt 'een pijnlijke stilte'. Wanneer we de A1 opdraaien, zegt hij zachtjes: “Ik ben bang...” Ik knik, een traan loopt over mijn wang. We vervolgen onze reis zwijgend tot we op de parkeerplaats staan. Bij het uitstappen zegt Peter: “Wat moet, dat moet.”

“Zullen we eerst nog wat drinken?” vraagt hij wanneer we het restaurant passeren. “Wie weet hoe lang we moeten wachten voordat we boven iets te drinken krijgen.”  Al snel lurkt hij aan z'n chocomel. Ik drink m'n koffie. Een gesprek wil niet op gang komen. We ervaren aan den lijve hoe verlammend “Wat als...” werkt. Met de dreiging van een recidive leukemie voor ogen kunnen wij niet over koetjes en kalfjes praten. Maar doen alsof 'het vonnis al geveld is', past ons ook niet. In de lift naar boven kijken we elkaar aan. Naast angst zie ik ook de vastberaden blik in de ogen van mijn zoon. We houden elkaar even stevig vast en zuchten een paar keer diep. De hematoloog geeft al snel aan dat hij geen geen valse hoop wil wekken. Peter waardeert dat. Wanneer wij even later om onze wachttijd te doden op een bankje in de Botanische Tuin van de VU Campus zitten, zegt hij: “Ik zag het direct aan hem. Jij ook?” Ik zag het ook. “We moeten het gevecht weer aan. Jíj moet het gevecht weer aan.” Voor de tweede keer deze morgen zegt hij: “Wat moet, dat moet.” Verbeeld ik het me of klinkt anders deze keer. Minder aarzelend, met meer overtuiging. Voor de tweede keer houden we elkaar stevig vast. En weer zuchten we diep. De hematoloog draait er niet om heen. Er is inderdaad sprake van een recidief. Hij komt ook direct ter zake. Hij heeft zijn plan getrokken en legt dit aan ons voor. “Heb ik een kans?” Weer die vraag van mijn zoon. Het antwoord is bevestigend. Maar het zal moeilijk worden, zwaarder zijn dan de eerste keer. “Ik ga ervoor.” Er klinkt geen twijfel. Ik weet: hij zal ervoor gaan.

Peter wordt direct opgenomen. De behandeling zal de volgende dag beginnen. Daar hebben we op gerekend. Ik besluit bij Peter te blijven tot hij naar bed gaat. We mogen nog even Amsterdam in om samen wat te eten. Daarna gaan we naar de film “Meet the parents” met Robert de Niro en Ben Stiller. We lachen onbedaarlijk. De tranen biggelen ons over de wangen. Onderweg naar het VUmc vraagt Peter: “Ga jij de vriend van mijn zus ook zo grillen?” Ik antwoord lachend: “Reken maar!” 

Wanneer het tijd is om naar huis te gaan, pakken we elkaar voor de derde keer die dag stevig vast. “Sterkte,” zeg ik. Mijn rots en trots antwoordt: “De kans die ik krijg zal ik pakken ook!”