(Deel 12) Niets is vanzelfsprekend...

In een serie blogs vertelt Johan Massier over de strijd van zijn zoon tegen leukemie. In het dagelijks leven is Johan coach (www.massiercoaching.nl). Hij richt zich hierbij op drie hoofdthema's: leven, loopbaan en leiderschap.


De eerste maanden na zijn thuiskomst uit het ziekenhuis heeft Peter het best moeilijk gehad. Hij wilde van alles, maar kon niet veel. Langzaam maar zeker verbeterde zijn conditie en kon hij zijn horizon weer verbreden. Dit betekende onder andere dat hij allerlei drempels over moest.

Voor Peter is zijn vertrouwde omgeving niet meer zo vertrouwd... Hij ziet er anders uit. Smal bekkie, kale kop. Dat maakt onzeker. Maar Peter zou Peter niet zijn als hij zich ook hier niet mee zou redden... Dus gaat hij weer naar school. Hij is er ruim een half jaar tussen uit geweest. Dit betekent dat hij het jaar nog een keer over moet doen. Hij kan de stof mede daardoor met twee vingers in de neus aan. Ook hier gaat de Cruijffiaanse waarheid “Elk nadeel heb z'n voordeel” op... Omdat het zo goed gaat, besluiten we dat Peter en ik samen een week naar Engeland gaan. We vertrekken met de nachtboot naar Harwich. Het is de eerste keer dat we met z'n beiden op reis zijn. In het donker, liggend in onze kooien (hij boven, ik onder) praten we over wat ziek zijn met ons en onze relatie doet.

“Weet je, papseflaps, je bent eigenlijk veel meer dan m'n vader; eerder m'n beste maat.” Omdat ik niet goed weet wat ik hierop moet zeggen, sta ik op en klim ik bij hem in de kooi en sla ik een arm om hem heen. Hij legt zijn hoofd op mijn borst. “Ik hoor je hart kloppen. Ik voel het ook. Mooi, man!” Ik kus zijn kale knikker en zeg dat ik van hem houd. “Weet ik,” antwoordt mijn zoon. “Ik ook van jou, ouwe!” De verhoudingen moeten natuurlijk wel duidelijk zijn...

We hebben het over de betekenis van het leven. Wat het leven mooi maakt. En we staan stil bij de gedachte dat wie zijn eigen dood of de dood van een geliefde in de ogen heeft gezien, anders in het leven staat dan voorheen. Ziek zijn, ernstig ziek zijn, confronteert je met je eindigheid: 'je er niet meer zijn'. Ook daar hebben we het over... “Heb jij daar een beeld bij, papseflaps?” vraagt Peter. Zijn vraag overvalt me, maar ik wil hem niet ontlopen. “Nee. Niet meer,” antwoord ik. De vraag vroeg ook niet om antwoord...  Peter vervolgt: “Weet je, ik was best wel nieuwsgierig naar hoe dat is... dood-zijn, bedoel ik. Niet dat ik ernaar uitkeek, of zo, maar ja, het kon natuurlijk wel fout gaan, hè?” Ik zeg dat ik die gedachte niet aan kon en niet aan kan: “Daar wilden wij ook niet aan denken, Peter. Dat mocht niet, snap je?”

We laten ons even meenemen door onze gedachten en het deinen van de boot op de golven van de zee. Dan zegt Peter plotseling: “Ik ben blij dat ik er ben. Ik ben blij dat ik bij mams en Ester en jou ben. Ik ben eigenlijk best een bofkont. Ik heb een mooi en goed leven.” Terwijl ik een traan wegpink, vraagt Peter ineens: “Ken je die mop over een vader en een zoon die naar Engeland gingen?” Ik antwoord verbaasd: “Nee, niet dat ik weet.” Peter grinnikt: “Ik ook niet... Maar ze gingen wel!"